Mooi boek “VERDOMD, IK WIN!”


In 2019 bracht Stef Habets – zoon van oud profwielrenner Jean Habets – het boek “Verdomd, ik win!” uit. Het boek vertelt de naakte waarheid over een gevallen talent dat de status van halfgod niet kon bereiken. Een etappekoers met huilbuien in het fietsenhok, armen in de lucht, de mooiste wedstrijden, de prachtigste dansen en bevredigende orgasmes. Je wordt op de bagagedrager van de schrijver meegenomen door zijn wielerwereld. Een mooi boek met een gezonde dosis humor waarin veel (oud)renners zich zullen herkennen.

Stef is gek van sport en zijn passie ligt bij het wielrennen, de sport die hij zelf vol vuur heeft beoefent. Gezien het feit dat hij is opgegroeid in de wielerwereld is dit niet zo gek. Hij volgt bijna alle sporten op de voet, van Formule 1 tot skispringen, van voetbal tot curling. Hij is leergierig en gedreven en zal altijd zijn eigen weg zoeken. Als je altijd de gebaande paden loopt zul je nooit iets extra’s leren en altijd gewoon blijven, is zijn motto. Hij heeft de ambitie om uiteindelijk in de wielerwereld bij een worldtour team aan de slag te gaan, al zou hij dat ook graag in de Formule 1 doen.

Als ex-student SPECO sportcommunicatie, ex-wedstrijdrenner en zoon van een oud-professional was het voor Stef een droom om voor Bicycling te schrijven over materiaal, training en wedstrijden. Het wielrennen kreeg hij met de paplepel ingegoten. Na te zijn opgegroeid met fietsen begon Stef op zijn veertiende met wedstrijden. Knieblessures en druk speelde hem parten en de liefde voor de fiets verdampte. De passie hervond hij op een bikepacking avontuur van Milaan naar huis. Na zijn studie wil Stef met een busje en een fiets door Europa trekken. Een leven zonder fiets kan hij zich niet meer voorstellen. Hij is verslaafd aan de tweewieler en kan nooit meer zonder.

Naast schrijven houdt hij zich ook bezig met het ontwerpen en onderhouden van websites en zo werd hij sportcommunicatiemanager bij DESTIL-Parkhotel Valkenburg CT. Het grappige hieraan is dat ikzelf deze functie vervulde bij Cyclingteam Jo Piels de voorganger van deze ploeg. Sterker nog, op de basisschool kreeg diezelfde knul computerles van ondergetekende. Schijnbaar heb ik dit zo goed gedaan dat Stef nu zelfs is uitgegroeid tot specialist op dit gebied. Momenteel heeft hij als Content marketeer bij Shimano Benelux B.V. een heel mooie job.

Maar terugkomend op zijn boek. Een musthave voor de vele jongens en mannen die zich kunnen herkennen in zijn verhaal. Dit wil echter niet zeggen dat het 142 bladzijden tellende boek niet geschikt is voor het andere geslacht. Voor de prijs hoeft men het niet te laten. Het boek is in de meeste boekenwinkels en online te koop voor € 14,99. Misschien een mooie cadeau voor Vaderdag. Op de meeste sites kunt u de eerste pagina’s uit het boek inzien. Hier beneden alvast een voorproefje.

Verdomd, ik win!

Als god bestaat is hij wielerfan, dat kan niet anders. Wielrennen is de mooiste sport op deze aardkloot. God is een man met smaak en wielrennen voldoet aan al zijn eisen. Opofferingen, tegenslagen, valpartijen en slechte weersomstandigheden. Het zijn stuk voor stuk uitdagingen die alleen de sterkste, de beste en de meest buitengewone mensen kunnen trotseren. Wielrenners zijn halfgoden, helden op fietsen, mannen van staal die nooit opgeven. Ik ben inmiddels al twee jaar wielrenner af. Ik noem mezelf nu ook graag professioneel wielervolger, wielerliefhebber of wielerromanticus. Ooit was ik een van de grootste talenten van mijn leeftijdsgenoten, die, als alles meezat, een heel eind gekomen zou zijn in de wielerwereld. Zoals met zoveel in het leven zat het niet mee, tegenslagen en blessures tekenden mijn carrière van begin tot eind. Ze voorkwamen dat ik de status van halfgod zou bereiken. Nu schrijf ik dit boek dat bestaat uit eenentwintig etappes door mijn hoofd en mijn carrière, bergop en bergaf. Hoogtepunten en diepe dalen. Wielrennen door de ogen van een professioneel wielervolger en wielerromanticus. Mijn verhaal. Maar goed, laten we bij het begin beginnen. Ik zal mezelf even voorstellen. Dat is wel zo netjes. Ik ben Stef Gerardus Maria Habets, geboren te Maastricht 4-11-1997. Mijn oneindige nieuwsgierigheid zorgde ervoor dat ik het na zeven maanden wel gezien had in de veilige warme buik van mijn moeder. Al vanaf mijn geboorte doe ik wat ik zelf wil. Ik zou volgens de doktoren met mijn onderkant als eerste mijn moeder verlaten, maar hier dacht ik zelf net even anders over. Ik besloot om head-first de wereld te ontdekken. Het eerste dat tegen mij geroepen werd door mijn vader was: ‘’Er komt een hoofdje.’’ Ja, toen al wist ik mensen te verrassen.

Dankzij mijn eigenwijsheid om acht weken eerder mijn hoofd de grote boze wereld in te steken, mocht ik nog twee maanden in het AZM resideren. Ik kreeg mijn eigen suite in de vorm van een couveuse. Toen ik op oudjaarsdag naar huis mocht, staken ze voor mij vuurwerk af. Ik werd groots onthaald, dat in ieder geval. Je vraagt je vast af hoe ik dan ooit op het idee ben gekomen om wielrenner te worden. Ja, dat is een goede vraag. Ik groeide op in het zuiden van Limburg, het wielerwalhalla van Nederland. Als zoon van een ex-prof die vijf jaar onderdeel was van het profpeloton, groeide ik op met wielrennen. Na zijn actieve carrière opende mijn vader een fietsenwinkel in het kloppend hart van wielrennen in Limburg en misschien wel het hele land. Aan de voet van de Keutenberg ligt het kerkdorpje Schin op Geul. Ik groeide op tussen fietsen, wielen en alles wat ook maar met wielrennen te maken had. Dagelijks zag ik wielrenners de winkel binnenstappen en samen met mijn broer speelden ik uren tussen de fietsen.

Al sinds de dag dat ik me dingen kan herinneren keek ik trouw op de bank naast mijn vader naar wielrennen. Ik begreep er geen reet van in het begin, maar door de lessen van pa leerde ik wat koersen was. Tactische dingen kwamen op latere leeftijd, maar de basis had ik al jong in de gaten. Heel veel mannen op fietsen, die zo hard mogelijk gaan om als eerste over een witte streep onder een spandoek door te rijden. Simpel is het eigenlijk. Soms bergop, soms vlak en soms over rare wegen met stenen die ze kasseien noemen. Het gekke is dan ook dat het lang duurde voordat ik wielrenner geworden ben. Ik begon mijn sportcarrière als f-pupil bij een plaatselijk voetbalclub. Ik deed aan judo of iets wat hierop moest lijken. Ook al zat ik wel vaak op de fiets; aan wielrennen dacht ik niet. Talent voor voetbal had ik niet maar met een flinke dosis inzet een portie sprintsnelheid en de conditie van een marathonloper kon ik me prima staande houden als genadeloze rechtsback. Mocht er toch een linksbuiten mij voorbijlopen, dan ging deze keihard tegen het gras. Op mijn veertiende was ik klaar met voetballen. Ik kreeg meer en meer het gevoel dat mijn teamgenoten niet zoveel hun best deden als ik en dat werkte frustrerend. Het roer ging om. Ik besloot om wielrenner te worden.

Vanaf het moment dat het voetbalseizoen voorbij was, sprong ik zoals met alles in mijn leven headfirst het wielrennen in. Niet goed wetende wat me te wachten stond en eigenlijk totaal niet goed getraind, begon ik aan dit avontuur. Zonder enige idee waar dit me uiteindelijk zou brengen. Ik droomde ‘s nacht, als niemand keek en niemand luisterde, stiekem van een bestaan als profwielrenner. Ik sloot me aan bij een club en kreeg een tenue waarvan de mouwen te breed waren voor mijn dunne bovenarmen. Ik had al een fiets waarvan ik zelf de kleur had mogen bepalen: hij was zwart en op de buizen blonken de appeltjesgroene letters Di STEFANO. Ik reed rond met mijn eigen naam op mijn fiets. Ik was ontzettend trots op mijn racer, maar wist ook dat ik nog veel moest doen om mee te kunnen in wedstrijden. Tijdens de winterstop van het voetbalseizoen was ik al eens gaan deelnemen aan een trainingswedstrijd waarin ik mezelf in het peloton kon handhaven. Tijdens mijn eerste echte wedstrijden kwam ik erachter wat het verschil was tussen trainingsritten in de winter en de echte wedstrijden in het seizoen. Het peloton was groter en de renners waren sterker. Ze konden bijna allemaal goed sturen. Ik kon tot de helft van de wedstrijd het peloton volgen, waarna ik de groep moest laten gaan. Tot zo ver mijn eerste wedstrijd. Tijdens mijn tweede poging was ik al een stukje succesvoller. Ik kon de groep volgen en ik speelde het zelfs klaar om als tweede door de laatste bocht te komen. Ik ging de sprint aan, maar op sprinten leek het niet meer. Achteruitsprinten is het begrip dat hierbij past. Ongeveer het halve peloton spurtte mij voorbij waarna ik als tweeëntwintigste over de streep rolde. Mijn eerste voltooide wedstrijd: dit smaakte naar meer. Het kwam niet vaak voor dat iemand zo snel meekon in het peloton, werd mij verteld. Wist ik veel wat ik moest doen. Tijdens mijn eerste seizoen kwam ik dan ook regelmatig onzacht in aanraking met het zwarte wegdek dat we asfalt noemen. Ik had een luxeprobleem: ik kon harder fietsen dan mijn stuurkunsten aankonden. Het ging dus met vallen en opstaan, maar ik vond het geweldig. Op een goede dag kon ik zelfs proberen aan te vallen en soms reed ik dan even voor het peloton uit. Als eerste.

Deel dit bericht: